Vleermuizen in Noord-Holland
Watervleermuis Myotis daubentonii Auteur: Rombout
de Wijs, 2005
Uiterlijk: De vacht is tweekleurig,
met rossig middel- tot donkerbruine rug en grijswitte tot bruinig grijswitte buik.
De ondervacht is donkerder, grijsbruin. Jonge dieren zijn op de rug donkerder
en grijzer en hebben een donkere kinvlek die na ongeveer 1 jaar verdwijnt. De
snuit is meestal roze, maar ook wel licht tot donkerbruin. De oren zijn vrij
kort, iets langer dan breed, tamelijk afgerond en licht tot donkerbruin met een
lichte basis. De tragus is iets korter dan de helft van de oorlengte, met een
enigszins afgeronde punt en buigt licht naar binnen. De voeten zijn groot
(helft van lengte onderbeen), de bovenzijde heeft lange haren, tenen opvallend
dik. Het spoorbeen is lang, half tot driekwart van de lengte van de
staartvlieghuid. Bij verontrusting tijdens de winterslaap worden de oren sterk
zijwaarts gekromd, andere soorten doen dit in mindere
mate.
Maten: lengte kopromp 40-55 mm,
onderarm 33-42 mm, staart 31-44.5 mm, oor 10.5-14.2 mm, spanwijdte 24-27.5 cm,
gewicht 5-17 g.
Gelijkende soorten: Baardvleermuis, Brandt’s vleermuis, Meervleermuis,
Franjestaart.
Geluid: De sonar is op een
detector te ontvangen tussen 30-80 kHz als een droge monotone ratel met een
onregelmatig ritme van 10-25 pulsen per seconde. Elke puls duurt 3-7 msec. De
piekfrequentie ligt tussen 40-45 kHz, dan is het geluid tot op 20-30 m te
ontvangen. Bij kolonies is soms een fijn, krassend geluid te horen op ongeveer
35 kHz. Soms ook hoorbare geluiden bij het vliegen. De Watervleermuis kent geen
territoriumroep zoals sommige andere vleermuizen.
Voedsel: Voornamelijk insecten die
vlak boven of op het wateroppervlak zitten. Het merendeel bestaat uit muggen,
dansmuggen, schietmotten, haften, maar ook kleine vlinders, kevers,
langpootmuggen, gaasvliegen en spinnen, zo bleek uit diverse analyses van
uitwerpselen. Soms werden hierin ook resten van kleine visjes aangetroffen.
De
uitwerpselen zelf zijn 2-2.5 mm in doorsnee, 6-11 mm lang en zwart van kleur.
Levensverwachting: gemiddelde leeftijd 4-5
jaar, de oudst bekende leeftijd is 28 jaar.
Status in Nederland: staat niet op de Rode
Lijst, maar valt net als de overige soorten vleermuizen onder allerlei
(inter)nationale beschermings-wetgeving.
Verspreiding Europa: komt in vrijwel geheel
Europa voor, ontbreekt alleen in noordelijke helft Scandinavië, Ierland,
Griekenland, Bulgarije en groot deel Roemenië.
![]()
De
Watervleermuis dankt zijn naam aan zijn aan water gebonden leefwijze. Het
grootste deel van het voedsel wordt boven het water gevangen (met de vlieghuid)
of met de speciaal voor dit doel vergrote achterklauwen uit het water geharkt.
Toch kan hij ook goed elders succesvol foerageren, wat
de soort niet totaal van water afhankelijk maakt.
De
vleugels zijn in verhouding tot de spanwijdte breed, met een tamelijk smal
armvleugeldeel. Ook is het vermogen om de vleugelwelving aan te passen door het
buigen van de vijfde vinger klein. Deze vleugelkenmerken duiden op een langzame
vlucht zonder veel wendingen.
Doordat
Watervleermuizen meestal laag boven het wateroppervlak vliegen, zijn ze vaak
goed met een zaklamp te beschijnen: hun vliegroute is veel voorspelbaarder dan
van vrij in de lucht vliegende vleermuizen.
Territorium, homerange en
dichtheden
Voor
zover bekend kennen Watervleermuizen geen territorium in de paartijd, zoals
sommige andere soorten vleermuizen. Op een beperkte foerageeroppervlakte gedragen
ze zich soms wel territoriaal, vooral jegens
soortgenoten die niet tot de eigen foerageergroep behoren. De actieradius van
Watervleermuizen is meestal 2-3 km, maar kan soms ook 6-10 km zijn. Hierbij
blijven zwangere en zogende vrouwtjes wat dichter bij huis dan de mannetjes
(Roer & Schober 2001). In Duitsland zijn in 4
gebieden dichtheden berekend van 23-86 dieren per km2 (Meschede
& Heller 2002). In Noord-Holland werd het totaal aantal Watervleermuizen in
de zomer geschat op 1600-2200, waarvan de meeste in Kennemerland
en het Gooi (Kapteyn 1995).
Voortplanting
De
paartijd begint vanaf de periode dat de jongen zelfstandig zijn,
maar vooral in oktober. Deze duurt dan vermoedelijk tot het einde van de winterslaap
tot in het voorjaar. Partnertrouw komt niet voor. Een mannetje dat uit
winterslaap ontwaakt, gaat eerst op zoek naar een vrouwtje. Hij vliegt dan
eerst rond in het winterkwartier en landt naast soortgenoten. Bij het op zoek
gaan naar een vrouwtje wordt vermoedelijk de reukzin gebruikt. Als een vrouwtje
is gevonden wordt deze van achteren met de vleugels omklemd. Pas als het
vrouwtje langzaam ontwaakt begint de paring, waarbij zij nog niet in staat is
om te vliegen. Bij de paring verkeren de partners ongeveer 20 min in de
paarhouding, waarbij verschillende malen copulaties plaatsvinden, gepaard
gaande met schril gepiep (Schober & Grimmberger 1998). Deze handelwijze van
het mannetje wordt gezien als verklaring voor het ontbreken van een territoriumroep,
deze is simpelweg niet nodig (Roer & Schober
2001). De eicellen worden niet direct na de paring bevrucht. De zaadcellen
worden bewaard in de baarmoeder van het vrouwtje en worden daar gedurende de
winterslaap in leven gehouden. De rijping van de eicel, de eisprong, de
bevruchting en de daarop volgende embryonale ontwikkeling vindt pas na de
winterslaap in het voorjaar plaats. De draagtijd is moeilijk vast te stellen,
omdat meestal niet bekend is wanneer bovenstaande heeft plaatsgevonden, maar
wordt geschat op 45-70 dagen (50-55 Roer & Schober
2001). Er wordt meestal maar 1 jong per jaar geworpen.
De
kraamkamers worden vanaf mei, vlak voor de geboorte van de jongen, bezet door
meestal 20-50 vrouwtjes, een enkele keer tot 90 vrouwtjes (in het buitenland soms
nog meer). De mannetjes leven elders, in kleinere
groepen van ongeveer 20 dieren, maar enkele mannetjes soms toch ook in de
kraamkamers (uitzonderlijk bij vleermuizen).
De
jongen worden geboren vanaf de tweede helft van juni, zij wegen dan iets meer dan
2 g, met een onderarmlengte van ongeveer 15 mm. Na 8-10 dagen gaan de ogen
open, na 31-55 dagen is de beharing voltooid, na ongeveer een maand kunnen ze
vliegen. De kraamkamers worden in augustus weer verlaten.
Mannetjes
en vrouwtjes zijn al in het eerste jaar geslachtsrijp.
Overlevingskans en predatie
Volwassen
dieren (dus ouder dan 1 jaar) hebben een jaarlijkse overleving van 0.8, ze
leven gemiddeld 4-5 jaar en meestal niet langer dan 20 jaar. De maximaal
vastgestelde leeftijd is 28 jaar.
Predatie
tijdens de winterslaap gebeurt vooral door (bos)muizen en spitsmuizen, in
kalksteengroeven en grotten ook wel door Steenmarters. Tijdens het uitvliegen,
als hun gedrag voorspelbaar is, lopen ze risico’s met uilen als predator.
Tijdens de vlucht lopen ze maar weinig risico’s: Boomvalken en Sperwers die nog
wel eens een vleermuis willen vangen, grijpen eerder vroeg vliegende soorten
(dwergvleermuizen, Rosse vleermuis) dan de betrekkelijk laat uitvliegende
Watervleermuis. Overdag kunnen ze in hun dagrustplaatsen worden belaagd door
bijv. Boommarter.
Net als alle vleermuizen en zoogdieren kunnen ook
Watervleermuizen soms rabies hebben. In Nederland is
dat bij deze soort nooit aangetroffen, maar elders
wel. In 2002 overleed een Schotse vleermuiswerker na de beet van een
Watervleermuis (Lina 2005).
Voedsel, energiebehoefte en
jachtgedrag
Het
voedsel bestaat voornamelijk uit insecten die vlak boven of op het
wateroppervlak zitten. Het merendeel bestaat uit muggen, dansmuggen,
schietmotten, haften, maar ook kleine vlinders, kevers, langpootmuggen,
gaasvliegen en spinnen, zo bleek uit diverse analyses van uitwerpselen. Soms
werden hierin ook resten van kleine visjes aangetroffen, misschien dode
exemplaren die aan de oppervlakte dreven. Het vliegen kost veel energie, dus moet
er veel gegeten worden. Ze eten per nacht ongeveer 3000-4000 dansmuggen
(Meschede & Heller 2002).
De
uitwerpselen zelf zijn 2-2.5 mm in doorsnee, 6-11 mm lang en zwart van kleur.
Vanaf
ongeveer 30-60 minuten na zonsondergang verlaten Watervleermuizen hun
dagrustplaats, voor doorgaans één lange jachtvlucht per nacht. Hierbij
vertrekken zwangere en zogende vrouwtjes wat eerder dan de mannetjes (Roer
& Schober 2001). Terugkeer ongeveer een uur voor
zonsopgang. Ze jagen voornamelijk boven beschut gelegen wateren, zonder
drijvende of uitstekende waterplanten. De typerende vliegwijze is in banen en
cirkels op zo’n 5-30 cm boven het wateroppervlak, de
vlucht lijkt op die van de Oeverloper. De vliegsnelheid daarbij is 10-15 (23)
km/uur. Prooien worden met de bek, de vleugels of de staartvlieghuid (als
vangnet) gevangen of met de grote voeten uit het water geharkt. Het aandeel
harkvangsten kan meer dan de helft van het totaal uitmaken (Jones & Rayner
1988). Ook wordt elders, dus niet boven water,
gejaagd, dan vaak rondom bomen tot op 5 m hoogte. Vliegt dan vaak boven paden
en in open plekken ook langdurig in cirkels. Recent is waargenomen dat ze
binnen de bebouwing soms ook boven straatlantaarns jagen (med.
Van der Linden 2005). Hangt tijdens jachtpauzes aan takken, muren of onder
bruggen. Het jachtgebied is meestal niet meer dan 2-3 km ver (in Duitsland ook
wel 7-8 km, Meschede & Heller 2002), ze vliegen daarheen volgens vaste
vliegroutes.
Watervleermuizen
jagen vaak in kleine groepen, bestaande uit 2-6 exemplaren. Deze foerageren
gemiddeld 15-30 minuten op een bepaalde plek, voordat ze een andere plek
opzoeken.
Ze
vangen insecten het liefst bij rustige weersomstandigheden, waarbij het water
niet te veel rimpelt en er ook voldoende vrij vliegende insecten zijn. Daarom
zoeken ze bij harde wind vaak de luwere plekken op, liefst dicht bij de
kolonieplaats (o.a. Huitema 1991). Bij al te slecht weer, met bijv. harde wind en regen, blijft een groot deel in de
verblijfplaats. Ze zijn minder gevoelig voor koud weer in de zomer dan andere
soorten vleermuizen, omdat zij hun (inactieve) prooien ook dan gewoon uit het
water kunnen harken (Jones & Rayner 1988).
In
de ‘s-Gravelandse buitenplaatsen zijn bij rustig weer maar weinig jagende
Watervleermuizen aan te treffen, ze jagen dan vooral buiten de bosgebieden. Bij
meer wind zijn er juist veel exemplaren boven de beschutte waterpartijen op
jacht. Zelfs bij stormachtig weer met buien zijn hier tussen de buien door
altijd wel enkele exemplaren aanwezig (pers. obs.). Watervleermuizen gedragen
zich doorgaans als lichtschuwe dieren (o.a. Kapteyn
1995), hoewel ze in het helverlichte Almere (Z.Flevoland) toch ook vaak boven
de grachten en vaarten jagend zijn waargenomen (pers. obs.). De recente
waarneming van boven straatlantaarns vliegende dieren (zie boven) geeft ook al
aan dat lokale dieren zich hieraan blijken te hebben aangepast.
Ook tijdens de winterslaap
wordt veel energie verbruikt. Tijdens de 180-200 dagen dat deze jaarlijks
duurt, neemt het gewicht van vrouwtjes af van 14 g naar 9 g en van mannetjes
van 13 g naar 8 g (Roer & Schober 2001).
Verblijfplaatsen
In
het zomerhalfjaar verblijven Watervleermuizen overdag vooral in holle bomen. In
gebieden met weinig bos verblijven ze soms op kerkzolders, ook zijn ze wel eens
in een bunker, in vleermuiskasten of onder bruggen aangetroffen. Ze zitten
vooral in oude loofbomen (meestal beuk of eik), zoals die vaak in landgoederen
en buitenplaatsen te vinden zijn. Een kolonie maakt hierbij gebruik van vele
holten, waartussen frequent wordt uitgewisseld. De holten zijn meestal
spechtengaten, natuurlijke holten en spleten in de stam, op een hoogte tussen 1
en 5.5 m. De holten moeten voor deze soort relatief ruim zijn. De koloniebomen
staan meestal minder dan 25 m van de rand van een bosperceel (Meschede &
Heller 2002). Er is enkele malen geconstateerd dat
Watervleermuizen in de verblijfplaatsen samenleven met Rosse vleermuizen en
Grootoorvleermuizen. Omdat Watervleermuizen zo vaak verhuizen, kan de populatie
in een gebied alleen geteld worden via een zgn. simultaantelling, waarbij alle
bekende koloniebomen tegelijk door diverse personen worden geteld. Vleermuizen
verhuizen vaak vanwege het beperken van parasieten, ontwijken van predatoren,
verschillen in microklimaat (afh. van het weer) en
concurrentie met andere holengebruikers (zoals vogels; Meschede 2001).
Ten
behoeve van de winterslaap wordt vooral gebruik gemaakt van ruimten waar de
temperatuur zo constant mogelijk is met een temperatuur van 3-8 °C en een hoge
luchtvochtigheid van 80-100%. Vrijwel uitsluitend ondergrondse verblijfplaatsen
voldoen aan die eisen, zoals bunkers, forten, diverse soorten kelders en
duikers onder wegen. Toch missen we nogal wat Watervleermuizen als we de
totalen in de winterverblijven vergelijken met de hogere aantallen in de zomer
(Kapteyn 1995). Dus misschien vindt er meer migratie plaats dan we denken (zie
onder), kruipen ze weg in spleten waar we ze niet kunnen zien of zijn er
winterverblijfplaatsen die we nog niet kennen. Hierbij kan vooral worden
gedacht aan dikke holle bomen, waar ze sporadisch zijn aangetroffen (Mostert
1997.
Tijdens de overwintering worden
Watervleermuizen zo om de twee tot drie weken wakker, waarna ze zich soms
verplaatsen. De perioden van lethargie worden in de loop van de
winter langer, vaak kruipen ze dan ook dieper weg in spleten en dergelijke.
Hierdoor kunnen ze minder zichtbaar worden voor vleermuistellers. Tegen het
eind van de winter in februari ontwaken ze weer wat vaker en verplaatsen ze
zich in grotere verblijfplaatsen richting uitgang. De eerste Watervleermuizen
zijn vanaf begin maart actief, maar het merendeel verlaat de verblijfplaats
vanaf eind maart t/m eind april. Mannetjes verlaten een winterverblijf wat
eerder dan vrouwtjes (Kapteyn 1995).
Ook
in de nazomer worden winterverblijven vaak door Watervleermuizen bezocht, dit
heeft hoofdzakelijk te maken met de voortplanting (Schober & Grimmberger
1998, Mostert 1997).
Tijdens
ringonderzoek zijn verplaatsingen aangetoond van 37-100 km, maximaal 140 km, in
het buitenland van 20-250 km. Of dit migratie is
vanwege het ontbreken van een geschikt winterverblijf dichterbij of dispersie
door (jonge) individuen op zoek naar een geschikt nieuw leefgebied is niet
duidelijk.
Biotoop en landschap
De
verblijfplaatsen zitten vooral in bomen in oude loofbossen, vaak in
landgoederen en buitenplaatsen waar ook waterpartijen in de omgeving voorkomen
(zie boven). Het jachtbiotoop bestaat uit kleine tot
middelgrote wateren met weinig waterplanten of kroos. Bij rustig weer kunnen ze
ook boven grotere wateren worden aangetroffen (pers.obs.). Ook jagen ze
geregeld in bossen, niet boven het water (zie boven). Tussen de
verblijfplaatsen en de foerageerplaatsen (“woon-werkverkeer”) volgen
Watervleermuizen vaste vliegroutes, waar ze niet graag van afwijken. Hierbij
volgen ze het liefst randen en lijnvorige landschapselementen zoals bomenlanen
en heggen, in de duinen soms toevoersloten (Huitema
1991). Ze vliegen daarbij liever een stukje om via een geschikte route met
opgaande begroeiing, dan dat ze een kortere route kiezen met een open plek
zonder opgaande begroeiing. Als ze toch open terrein oversteken, vliegen ze
vlak boven het maaiveld.
Trends en veranderingen.
Deze
soort vertoont al sinds tientallen jaren een toenemende trend. Dit wordt
doorgaans vooral toegeschreven aan de eutrofiering van het oppervlaktewater.
Dit heeft tot een grotere hoeveelheid biomassa geleid, waaronder een toename in
(dans)muggen. Maar ook de relatief hoge jaarlijkse
overlevingskans van deze soort heeft deze toename mogelijk gemaakt. In Gooi- en
Vechtstreek is er nog steeds sprake van een toename van deze soort. Deze wordt
echter vooral veroorzaakt door de kolonisatie van de reinwaterkelder te Laren
(zie aldaar), daarbuiten blijven de aantallen ongeveer
stabiel.
Verspreiding etc.
Zowel
in winter als zomer is de Watervleermuis betrekkelijk eenvoudig op te sporen.
In de winter is de Watervleermuis de meest verspreide en meest voorkomende
soort tijdens wintertellingen. Blijkbaar past het binnenklimaat in de getelde
winterobjecten zoals forten, bunkers en kelders heel goed bij de eisen die deze
soort aan een winterverblijf stelt, wellicht beter dan dit bij andere soorten
het geval is. De meeste worden aangetroffen in de
bunkercomplexen in de Hollandse duinen, verder in de forten en kelders in het
Gooi
In
de zomer is de Watervleermuis vrij goed waarneembaar, door zijn grote voorkeur
voor het jagen boven waterpartijen. Bovendien is de soort goed herkenbaar, door
geluid en gedrag. In de zomer vinden we de hoogste aantallen in bosrijke
gebieden, zoals Kennemerland, het Gooi en de
landgoederen in Zuid-Holland.
Bronnen
·
Huitema, H. 1991. Watervleermuizen (Myotis daubentonii) in de
Amsterdamse Waterleidingduinen; jachtbiotoopkeuze in relatie tot
insektenaanbod. Doktoraalverslag RUG.
·
Jones, G. & Rayner, J.M.V. 1988. Flight performance, fouraging tactics and echolocation in free-living Daubenton’s bats Myotis daubentonii (Chiroptera:
Vespertilionidae). J.Zool.Lond. 215:
113-132.
·
Lina, P. 2005. Rabies bij
vleermuizen. VLEN-Nieuwsbrief 47:3-6.
·
Meschede, A. 2001. Fledermäuse im Wald. DVL, Ansbach.
·
Meschede, A & Heller, K-G. 2002. Ökologie und Schutz von
Fledermäusen in Wäldern. Bundesamt für Naturschutz, Bonn.
·
Mostert, K.1997. Watervleermuis Myotis
daubentonii (Kuhl, 1817) in Limpens,
H, Mostert, K & Bongers, W. (eds). Atlas van de Nederlandse vleermuizen.
KNNV, Utrecht.
·
Kapteyn, K. 1995. Vleermuizen in het landschap. Schuyt & Co,
Haarlem.
·
Roer, H & Schober, W. 2001. Myotis
daubentonii – Wasserfledermaus. In: Niethammer, J & Krapp, F (eds) Handbuch der Säugetiere Europas. Aula Verlag.
·
Stebbings, R.E. 1977. Daubenton’s bat Myotis daubentoni.
in Corbet, G.B. & Southern, H.N. (eds).
The Handbook of British Mammals, second edition. Blackwell,
Oxford.
·
Schober, W. & Grimmberger, E. 1998. Gids van de Vleermuizen van
Europa. Nederlandse vertaling Lina, P. 2001. Tirion, Baarn.
·
Twisk, P. 1994. Watervleermuis – Myotis daubentonii. In: Lange, R,
Twisk, P, van Winden, A & van Diepenbeek, A (eds). Zoogdieren van
West-Europa. KNNV, Utrecht.
·
http://www.lpv.de/fledermaus/englisch/e-wasser.htm (http://www.lpv.de/)